Het gestolen erfgoed

In 2002 stal beroepsinbreker Okkie Durham twee schilderen uit het Van Goghmuseum in Amsterdam. Daarmee zorgde hij voor gigantisch veel ophef in de Lage Landen. Want waar haalde men de brutaliteit vandaan om Neerlands nationaal erfgoed te komen stelen! Echter, soms is een klein beetje zelfreflectie best op zijn plaats. Want in werkelijkheid proefde Nederland gewoon de bittere smaak van een koekje van eigen deeg. Niet dat diefstal goed gekeurd zou moeten worden, maar het is wel eens een keertje goed dat de dief zelf bestolen wordt. Want waarom is het niet oké dat een man van kleur enkele Europese kunstvoorwerpen steelt, maar waarom is het prima dat Europeanen schaamteloos hele musea vol hebben gestouwd met gestolen kunst uit hun (voormalige) koloniën?

Zoals we eerder hebben bediscussieerd moet de Franse president Macron beslist niet gezien worden als de nieuwe Messias, maar wat wel voor hem pleit is dat hij gepleit heeft voor de teruggave van door Frankrijk gestolen Afrikaanse kunst. Hierdoor worden eveneens de andere (voormalige) Europese koloniale mogendheden onder druk gezet om door hen gestolen kunst te restitueren. Ook Nederland dus. De gedachte dat roofkunst mogelijk teruggegeven gaat moeten worden zorgde voor grote onrust in de Nederlandse museumwereld. Dit ondanks dat Nederland met dank aan Okkie onlangs zelf aan den lijve heeft mogen ervaren hoe het is om ontvreemd te worden van het eigen erfgoed. Blijkbaar is stelen een kolonialistisch voorrecht.

Gestolen erfgoed is daarentegen weer een koloniale paradox. De klassieke legitimatie van het Westerse kolonialisme is dat het Westen de edele taak op zich neemt om de onbeschaafde, onontwikkelde volkeren buiten het Westen te civiliseren. Maar als die volkeren zo onontwikkeld waren, waarom moest hun kunst dan massaal gestolen worden? Kennelijk zagen de kolonialisten wel degelijk in dat die kunst grote waarde vertegenwoordigt, want anders zouden ze het beslist niet gestolen hebben. Daarmee tevens de mythe van the white man’s burden ondergravend.

De kolonialisten waren inderdaad soms compleet verbijsterd door de hoge kwaliteit van de kunstschatten die ze in Afrika aantroffen. Een goed voorbeeld zijn de Benin-bronzen. Deze werden door de Britten in 1897 gestolen na een strafexpeditie tegen de West-Afrikaanse staat Benin. De kolonialisten konden er met hun verstand niet bij dat zulke ‘primitievelingen’ zulke hoogwaardige metaalkunst konden produceren. De meeste Benin-bronzes eindigden in the British Museum, maar ook andere Westerse musea profiteerden. Van de bekende kunstvoorwerpen van deze West-Afrikaanse beschaving bevinden zich er momenteel zo’n 2400 in Westerse musea en naar schatting slechts ±50 in Nigeria.

De gestolen Afrikaanse kunst had vervolgens een grote impact op de ontwikkeling van de Europese kunst. Europa’s beste kunstenaars, zoals Picasso, Vlaminck en Derain werden begin 20e eeuw fans van Afrikaanse kunst en creëerden geïnspireerd door die Afrikaanse kunst de moderne kunststroming van het kubisme.

Punt is dat het ontkennen van de menselijkheid van de gekoloniseerde volkeren inherent is aan het kolonialisme. Dat is zowel noodzakelijk om het kolonialisme te legitimeren als om de gekoloniseerde volkeren in hun lot te doen berusten. Dat houdt in dat bij voorbaat reeds ontkend wordt dat ze überhaupt prat kunnen gaan op zoiets als een erfgoed, maar als die kolonialistische veronderstelling onvoorzien toch niet blijkt te kloppen dan wordt het of gestolen of vernietigd.

Hieruit volgt dat de voormalige koloniën dat erfgoed heel hard nodig hebben om de hoofden en harten van hun bevolkingen te dekolonialiseren. Want anders kunnen betreffende maatschappijen niet op een gezonde manier functioneren. Ter vergelijking, de Nederlandse overheid spendeert echt niet voor noppes heel veel geld in het bewustmaken van de bevolking van het nationale erfgoed. Vandaar dat er geschiedenisles is op school, straten, pleinen, scholen, tunnels, bruggen, etc. vernoemd worden naar (nationale) helden, maar bovenal dat er musea zijn waar het zichtbare erfgoed voor het publiek staat uitgestald. Middels al dit soort zaken wordt een nationaal bewustzijn gecreëerd en gecultiveerd en zodoende de samenhang in de samenleving bevorderd. Als de voormalige koloniën serieus willen dekolonialiseren dan zullen ter plaatse vergelijkbare structuren gecreëerd dienen te worden zoals Nederland en de meeste andere Westerse landen die reeds hebben. Om die reden is het van levensbelang dat die gestolen kunst weer thuis komt, zodat de plaatselijke bevolking fier en geïnspireerd kan raken door prestaties van eigen bodem eensgelijk de Nederlandse bevolking fier en geïnspireerd is door Rembrandt en van Gogh.

Los daarvan is het natuurlijk van groot belang dat de voormalige koloniën zelf hun eigen erfgoed kunnen gaan exploiteren. Rijk gevulde musea trekken namelijk toeristen en genereren dus inkomsten. Aangezien de belangrijkste musea met Afrikaanse kunst te vinden zijn in het Westen houdt dat in dat het Westen al die toeristen trekt en dus die gestolen Afrikaanse kunst schaamteloos exploiteert. Des te opmerkelijker hoe Westerse historici allerlei kolonialistische drogredenen aandragen om aan te geven waarom de gestolen Afrikaanse kunst beslist niet teruggegeven zou moeten worden.

De kunstroof van Okkie was heel interessant omdat wellicht voor het eerst in de moderne geschiedenis de rollen omgedraaid waren: deze keer waren het niet witte mannen die Afrika beroofden van haar erfgoed, maar een man van kleur die zich Europese top kunstwerken toeëigende. Dat deed de Europeanen onvoorstelbaar veel pijn. Het allermooiste zou zijn geweest als Okkie die schilderijen mee had genomen naar bijvoorbeeld Suriname, Indonesië of Ghana. Dan zou het plaatje compleet zijn geweest. Nu is het wachten op Killmonger die de vibraniumkunst in de Europese musea opeist voor Afrika.

DJEHUTI-ANKH-KHERU

This entry was posted in The Grapevine Publications. Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Jouw e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *